Jonge kinderen kunnen voorkeuren en intenties afleiden uit de blik van een mens, maar doen dat niet op dezelfde manier bij een humanoïde robot. Dat blijkt uit een peer-reviewed studie van onderzoekers in Italië en Japan.
Het onderzoek is gepubliceerd in het International Journal of Child-Computer Interaction en werd gecoördineerd door Antonella Marchetti, directeur van de afdeling Psychologie van de Università Cattolica del Sacro Cuore in Milaan en van CERITOM, het onderzoekscentrum voor theory of mind en sociale competenties gedurende de levensloop. Aan de studie werkten ook wetenschappers uit Tokio en Osaka mee, naast Università Cattolica-onderzoekers Davide Massaro, Cinzia Di Dio en Federico Manzi.
De onderzoekers bestudeerden Italiaanse kinderen van 3 tot 5 jaar om te achterhalen hoe zij de blik van mensen en humanoïde robots interpreteren. Tijdens de test kregen de kinderen een persoon en een humanoïde robot te zien die naar een object keken. Vervolgens werd nagegaan of de kinderen begrepen dat het object waarnaar werd gekeken mogelijk het “voorkeursobject” was van degene die keek.
Uit de resultaten blijkt dat kinderen een menselijke blik als een betekenisvol sociaal signaal zien. Wanneer een persoon naar een object kijkt, gaan kinderen er vaak van uit dat die persoon dat object leuk vindt. Bij een humanoïde robot gebeurt dat niet op dezelfde manier. De blik van de robot alleen is voor kinderen niet voldoende om de robot een echte voorkeur toe te schrijven.
De studie laat ook zien dat de blik van een mens of robot de eigen voorkeuren van kinderen niet lijkt te veranderen. De blik helpt hen dus vooral om in te schatten wat een ander mogelijk leuk vindt, maar beïnvloedt niet noodzakelijk wat zij zelf verkiezen.
“Dit betekent niet dat robots geen educatieve of sociale rol kunnen spelen,” zei Marchetti. “Maar het suggereert wel dat het simpelweg nabootsen van één menselijk signaal, zoals oogcontact of blikrichting, niet genoeg is om een robot in de ogen van een kind echt communicatief te maken.”
Volgens Marchetti onderstrepen de bevindingen dat robots en intelligente technologieën voor kinderen rijkere en natuurlijkere interacties nodig hebben. Daarbij gaat het niet alleen om blikrichting, maar ook om woorden, gebaren, wederkerigheid, context en gedeelde aanwezigheid. Zij plaatste de studie ook in het bredere debat over kunstmatige intelligentie. Veel AI-systemen kunnen spreken, reageren en suggesties doen, maar voor kinderen bestaat communicatie volgens haar uit meer dan woorden alleen.
De onderzoekers wijzen erop dat de resultaten ook relevant kunnen zijn voor toepassingen bij kinderen met een autismespectrumstoornis. Blikrichting en gedeelde aandacht spelen een belangrijke rol in de sociaal-communicatieve ontwikkeling en kunnen bij deze groep kwetsbaar zijn. Humanoïde robots worden daarom steeds vaker onderzocht als ondersteunend instrument bij interventies die op deze vaardigheden zijn gericht.
Marchetti verwees in dat verband naar het ROBIN-project, een robotgebaseerde neuropsychomotorische interventie die imitatievaardigheden bij jonge kinderen met een autismespectrumstoornis moet bevorderen. Het project, gefinancierd door het Italiaanse ministerie van Volksgezondheid binnen het programma Finalized Research, moet in juni 2026 van start gaan. Het wordt geleid door de Don Carlo Gnocchi Foundation en CeRiToM van de Università Cattolica del Sacro Cuore. Daarbij wordt onderzocht hoe een humanoïde robot kan worden ingezet in interventies waarin ook de interpretatie van de blik en de communicatieve betekenis daarvan een rol spelen.
