Home Bots & BusinessB’Robotics moet Breda Robotics Europese slagkracht geven

B’Robotics moet Breda Robotics Europese slagkracht geven

door Marco van der Hoeven

Breda Robotics gaat verder onder de naam B’Robotics. De naamsverandering werd gepresenteerd tijdens het XXL-event van het robotica-ecosysteem in Breda en vormt een nieuwe stap in de ambitie om uit te groeien van regionaal cluster tot een nationale en Europese hub voor toegepaste robotica. De nieuwe naam moet duidelijk maken dat de organisatie geworteld blijft in Breda, maar zich nadrukkelijker richt op Brabant, Nederland en Europa.

De keuze voor B’Robotics is geen breuk met het verleden, maar een verbreding van de positionering. Breda Robotics ontstond in 2019 uit een samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid. Wat begon met een beperkte groep initiatiefnemers rond de vraag hoe robotica in de regio sterker ontwikkeld kon worden, groeide uit tot een kenniscentrum en fieldlab waar studenten, bedrijven, kennisinstellingen en overheden gezamenlijk werken aan toepassingen in de praktijk.

Tijdens de presentatie werd benadrukt dat de naam Breda Robotics de oorsprong goed weergaf, maar niet langer de volledige ambitie dekte. De organisatie werkt inmiddels met partners buiten de stad en wil sterker deelnemen aan nationale en Europese netwerken. In de introductievideo werd de nieuwe naam gekoppeld aan Breda als beginpunt, Brabant als bredere basis en begrippen als “beyond”, “building” en “applied”. De kernboodschap: B’Robotics wil niet alleen praten over innovatie, maar toepassingen bouwen en testen in de praktijk.

Van regionaal centrum naar Europese hub

In de toelichting op de nieuwe strategie werd geschetst dat de organisatie op een kruispunt staat. De afgelopen jaren is een regionaal centrum opgebouwd, maar verdere groei vraagt volgens B’Robotics om een bredere schaal. De ambitie is om zich de komende jaren te ontwikkelen tot een herkenbare hub voor toegepaste robotica, eerst in Zuidwest-Nederland en Noordwest-België, daarna breder nationaal en Europees.

Daarbij werden drie fases genoemd. In de huidige fase ligt de nadruk op verdere groei en versteviging van de positie als regionaal centrum. In de volgende fase wil B’Robotics het geografische werkgebied uitbreiden en zich sterker richten op specifieke toepassingsgebieden. Richting 2030 en 2035 moet de organisatie steeds nadrukkelijker worden herkend als Europese hub.

De strategie rust op drie elementen. Ten eerste wil B’Robotics de adoptie van robotica stimuleren. Bedrijven willen volgens de organisatie vaak wel robotiseren, maar blijven in de praktijk hangen in pilots of goede bedoelingen. B’Robotics wil helpen om die stap naar toepassing te zetten. Ten tweede ziet de organisatie zichzelf als cluster waarin bedrijven, onderwijs en overheid samenwerken. Ten derde blijft een fysieke plek belangrijk: een campus waar mensen elkaar ontmoeten, toepassingen zichtbaar worden en samenwerking concreet vorm krijgt.

Vijf programmalijnen

De verdere uitbouw van het ecosysteem wordt gekoppeld aan vijf programmalijnen. De eerste is het versterken van het netwerk. B’Robotics telt inmiddels 74 partners, maar wil dit aantal uitbreiden en partners nauwer betrekken bij de inhoudelijke agenda.

De tweede programmalijn is human capital. Daarbij gaat het om bestaand talent, studenten die binnenkort de arbeidsmarkt op komen en toekomstige generaties die voor techniek en robotica moeten worden gewonnen. De derde lijn is valorisatie: het vertalen van R&D naar toepassingen. Daarbij werd verwezen naar de rol van hogescholen en kennisinstellingen in de regio, onder meer rond Physical AI en cognitieve robotica.

De vierde lijn is de campus. Het pand waarin B’Robotics nu actief is, moet zich verder ontwikkelen tot een Innovation Center. De eerste startups vestigen zich daar al, terwijl gesprekken lopen met meer gevestigde bedrijven. De vijfde lijn is access to funding. B’Robotics wil zelf geen investeringsfonds worden, maar werkt met partners zoals de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij en informele investeerders om toepassingen verder te kunnen ontwikkelen.

“We zijn onderweg”

Tijdens de round table blikte Iwan de Waard, CTO van Improvia en een van de oprichters van Breda Robotics, terug op de start van het initiatief. Volgens hem begon het met de wens om in Breda een plek te maken “waar studenten en bedrijven samen kunnen werken aan de ontwikkeling van nieuwe ideeën”. Terugkijkend ziet hij dat een deel van die ambitie is gerealiseerd: “We zitten hier allemaal, dus dat is denk ik wel gelukt.”

Tegelijk waarschuwde hij dat het werk nog lang niet klaar is. De plek moet volgens hem “nog wat cooler en groter worden”, het aantal partners moet omhoog en de regio moet sterker worden in opleiding en talentontwikkeling. Hij sprak daarbij de ambitie uit om een van de beste robotica-opleidingen van Noord-Europa te ontwikkelen. Voor bedrijven is talent een belangrijke vestigingsfactor: “Als er talent is, dan kom ik als bedrijf ook.”

Marie-Louise van Mook, programmamanager bij de provincie Noord-Brabant, legde de nadruk op samenwerking. Volgens haar laat B’Robotics zien hoe kennisinstellingen, bedrijven en overheden samen “meters maken”. De provincie wil de verbinding met andere Brabantse regio’s versterken en ondersteunt ook de Europese ambitie. Daarbij moet Brabant volgens haar niet binnen Nederland concurreren, maar juist zoeken naar complementariteit binnen Europa.

Robotica als nationale noodzaak

Ronald van Es, programmamanager Innovatie Ecosysteem bij Holland High Tech, plaatste de regionale ontwikkeling in een landelijke context. Robotica raakt volgens hem aan meerdere sleuteltechnologieën uit de Nationale Technologiestrategie. Holland High Tech financiert onderzoeksprojecten waarin bedrijfsleven en kennisinstellingen samenwerken om de kennisbasis in Nederland te vergroten.

Van Es verwees naar de noodzaak om robotica, cognitieve robotica en Physical AI sterker te ontwikkelen. Volgens hem is dat nodig om het economisch verdienvermogen en de maatschappelijke veerkracht van Nederland en Europa te behouden. Ook wees hij op een position paper waaraan onder meer FME, NLrobotics, TNO en Holland High Tech werken, met als doel te komen tot een nationale roboticastrategie.

In de discussie over concurrentie met China en de Verenigde Staten werd benadrukt dat Nederland niet moet proberen te concurreren op volume. De kansen liggen volgens de deelnemers vooral in slimme toepassingen, systeemintegratie, wendbaarheid en Europese waarden zoals cybersecurity by design, ethiek en verantwoord datagebruik. Van Es noemde systeemengineering en systeemintegratie als sterke Nederlandse kwaliteiten.

Onderwijs, talent en maatschappelijke opgaven

Marjan Hammersma, voorzitter van het College van Bestuur van Avans Hogeschool, benadrukte dat studenten al vroeg in aanraking moeten komen met maatschappelijke opgaven. Dat geldt volgens haar voor thema’s als veiligheid, weerbaarheid, zorg en robotica. Avans werkt daarom samen met partners zoals Defensie, Amphia en B’Robotics.

In de discussie over talentontwikkeling werd duidelijk dat het aantrekken van meer studenten naar technische opleidingen een terugkerend vraagstuk is. De stelling dat 50 procent van curricula uit actuele vraagstukken van robotica-bedrijven zou moeten bestaan, kreeg geen brede steun in die vorm. Wel was er consensus dat techniek, AI en robotica veel eerder en breder in het onderwijs moeten terugkomen.

Carla Kranenborg-van Eerd, wethouder van Breda, stelde dat het te laat is om pas in het vervolgonderwijs te beginnen. Volgens haar moet techniek al in het primair onderwijs een veel grotere rol krijgen. Marie-Louise van Mook vulde aan dat robotica en AI niet als aparte sector moeten worden gezien, maar in vrijwel alle sectoren terugkomen, van zorg tot industrie. Hammersma onderschreef dat techniek in meerdere opleidingen moet worden geïntegreerd, niet alleen in technische opleidingen.

Fysieke campus als versneller

Een belangrijk onderdeel van de ambitie is de fysieke campus. Kranenborg-van Eerd stelde dat een ecosysteem niet vanzelf goed kan functioneren zonder een plek waar mensen elkaar ontmoeten. Een fysieke locatie zorgt volgens haar voor zichtbaarheid, toevallige ontmoetingen en gedeelde faciliteiten.

Voor kleine en beginnende bedrijven kan dat belangrijk zijn, omdat machines, gereedschappen en andere voorzieningen vaak te duur zijn om zelfstandig aan te schaffen. Door die faciliteiten te delen, wordt ontwikkeling toegankelijker. De campus moet daarmee meer worden dan een bedrijfsverzamelgebouw: een plek waar onderwijs, ondernemers en overheid elkaar structureel vinden.

Misschien vind je deze berichten ook interessant