Volgende week vindt het European Robotics Forum plaats in Stavanger, Noorwegen. Vooruitlopend op het evenement sprak Rocking Robots met Nabil Belbachir, Research Director bij NORCE, over wat bezoekers kunnen verwachten — en waarom robotica op dit moment misschien wel de meest strategische investering voor Europa is.
Als het European Robotics Forum dit jaar van start gaat in het noorden, vindt het een passende thuisbasis. Stavanger — de offshore-energiehoofdstad van Noorwegen — is een stad die haar fortuin heeft opgebouwd op het onttrekken van waarde aan de zee, op gedurfd ingenieurswerk en op het kijken voorbij de eigen grenzen. Het zijn thema’s die goed aansluiten bij de gesprekken die ERF 2026 belooft los te maken.
Voor Nabil Belbachir, Research Director bij NORCE (Norwegian Research Centre) en een van de organisatoren van het evenement, is de keuze voor deze locatie geen toeval. “Het motto van Noorwegen is eigenlijk het verkennen van de oceaan, de blauwe economie, en ook de ruimte,” legt hij uit. “We spreken over offshore-technologieën en offshore-activiteiten. Dat kan olie en gas zijn, offshore-wind, energie, visteelt. De zee is echt van groot belang voor ons transport, en subsea-activiteiten bieden zoveel mogelijkheden.”
Maar hoewel de blauwe economie de achtergrond vormt voor de activiteiten van de week — met geplande bezoeken aan visteeltbedrijven en offshore-installaties — reikt de echte agenda veel verder dan de Noorse kustlijn. ERF 2026 vindt plaats op een moment van verhoogde urgentie voor het Europese technologiebeleid, en Belbachir is er duidelijk over: Europa loopt achter op gebieden die het zich niet kan veroorloven te verliezen.
Drie pijlers: veerkracht, reshoring en een vergrijzende samenleving
Volgens Belbachir zijn de belangrijkste roboticathema’s op de agenda: veerkracht in toeleveringsketens, het terughalen van de maakindustrie naar Europa, en de maatschappelijke gevolgen van een vergrijzende bevolking.
Over veerkracht wijst hij op een structurele kwetsbaarheid die te weinig beleidsmakers openlijk durven te benoemen. “Europa is volledig afhankelijk van leveringen uit Azië — zo’n 90 procent van de elektronica komt van daar,” zegt hij. “En als het gaat om kritieke grondstoffen heeft Europa simpelweg niet de reserves die Afrika, Australië, Azië of Zuid-Amerika wel hebben.”
Dit is het punt waarop robotica op een onverwachte maar overtuigende manier een rol speelt. In plaats van de afhankelijkheid simpelweg te accepteren, pleit Belbachir voor wat hij “urban mining” noemt — het inzetten van robots om kritieke grondstoffen terug te winnen uit elektronisch afval. “We gebruiken elektronica en gooien die vervolgens weg, sturen het naar de verbranding, verbranden het, dumpen het op stortplaatsen — terwijl er enorme hoeveelheden koper, aluminium, nikkel en andere kritieke materialen verloren gaan. In plaats van elders nieuwe grondstoffen te delven, kunnen robots ons helpen terug te winnen wat we al hebben.” De aanpak kan volgens hem zowel duurzaam als economisch rendabel zijn — als vervanging van laagbetaald handmatig sorteerwerk, dat grotendeels in Zuid-Europa plaatsvindt, door intelligente, geautomatiseerde systemen.
De tweede pijler betreft de maakindustrie. Jarenlang verplaatsten Europese bedrijven hun productie naar Azië en elders vanwege lagere loonkosten. Die trend keren — de fabrieken terughalen — is nu een strategische noodzaak, maar Belbachir is duidelijk: dat kan niet zonder een nieuwe generatie robots. “Je hebt veel verder ontwikkelde robots nodig die meer doen dan alleen grijpen uit een bak — ook assemblage, demontage, inspectie. Dat zijn de capaciteiten die Europa nodig heeft om zelfvoorzienend te worden in de productie.”
De derde uitdaging is misschien wel de meest maatschappelijke: een vergrijzend Europees arbeidsbestand dat krimpt in sectoren waar niemand meer wil werken. “Je hebt mensen nodig voor het beheer en onderhoud van kritieke infrastructuur, maar er is niemand meer die een windturbine op wil klimmen of een scheepsromp onder water schoon wil maken.” Hij noemt de landbouw als een bijzonder schrijnend voorbeeld en kijkt daarbij bewonderend naar Nederland. “Nederland is de op een na grootste landbouwexporteur ter wereld, ondanks zijn geringe omvang. Het is een indrukwekkend voorbeeld van wat automatisering en optimalisatie kunnen bereiken. Maar als je een jongere vandaag de dag vraagt of hij wil werken in de pluimveehouderij, de aquacultuur of de akkerbouw, is het antwoord nee. We hebben robots nodig voor de banen die mensen niet meer willen doen.”
Waarom robotica Europa’s strategische prioriteit is
Een van de stellingen die Belbachir op ERF wil innemen betreft het huidige enthousiasme voor investeringen in kunstmatige intelligentie. Hoewel hij het belang van AI erkent, maakt hij zich zorgen dat Europa meegesleurd wordt in wat hij ronduit een “bubbel” noemt.
“Iedereen is blij miljarden in AI te pompen. Maar als je een AI-bedrijf bouwt, bouw je een softwareservice — je hebt een dataserver, goede programmeurs en wat ontwikkeltools nodig. Je bouwt geen toeleveringsketen.” Robotica is fundamenteel anders, stelt hij. “Als je robots ontwikkelt, werk je langs de hele toeleveringsketen. Je hebt materialen nodig, batterijen, controllers, elektronica, software, dienstverlening. Je hebt werktuigbouwkundigen nodig, elektrotechnici, batterijspecialisten, materiaalwetenschappers. Je trekt zoveel sectoren mee — en daardoor wordt je industrieel ecosysteem veel veerkrachtiger.”
De ironie is, merkt hij op, dat Europa wel degelijk wereldklasse-roboticabedrijven heeft — of had. “Kuka ging naar China. ABB ging deels een andere richting op. Universal Robots werd gekocht door een Amerikaans bedrijf. We verliezen onze roboticakampioenen, net zoals we Qimonda verloren.” Dit, zegt hij, is de centrale boodschap die hij in Stavanger wil uitdragen: robotica is een strategische industriële pijler, geen niche-technologiesector, en verdient de langetermijnpolitieke inzet die aan andere prioriteiten is besteed.
Hij plaatst robotica naast biotechnologie als een gebied van kritiek strategisch belang. “We kopen bijna al onze farmaceutische grondstoffen uit China, India en Japan. We hebben in Europa vrijwel geen productiebase voor biotechnologie. Robotica en biotech samen zouden de ruggengraat kunnen vormen van een werkelijk soeverein Europees industriebeleid.”
Ruimtevaart, regelgeving en de ondernemerschapskloof
Het thema van ERF 2026 — “From Earth to Space” — brengt een nieuw front in het gesprek. Noorwegen heeft een groeiende ruimtevaartsector, en Belbachir ziet veel potentieel voor robotica in een baan om de aarde: onderhoud, operaties en infrastructuurbeheer in de ruimte. Maar ook hier ziet hij Europa achterop raken.
“De VS is de meester van de ruimte, dan Rusland, dan China. Europa is waarschijnlijk vijfde of zesde.” De schuldige is volgens hem niet een gebrek aan talent of ambitie — het is regelgeving en bureaucratie. “Het is veel gemakkelijker om in de Verenigde Staten een bedrijf op te richten en binnen een maand investeerders te vinden. In Europa heb je, tegen de tijd dat je aan alle nalevingsvereisten hebt voldaan, je startkapitaal besteed aan juristen en papierwerk in plaats van aan productontwikkeling.”
Hij wijst op de EU AI Act als een waarschuwend voorbeeld — goedbedoelde regelgeving die innovatieve bedrijven over de Atlantische Oceaan dreigt te jagen voordat ze de kans hebben gehad zichzelf te bewijzen. “Als een bedrijf start, heb je kapitaal nodig voor ontwikkeling. Als je dat geld in bureaucratie stopt in plaats van in productontwikkeling, verlies je. Die strikte regelgeving moet worden afgestemd op de fase waarin een bedrijf zich bevindt. Op dit moment kunnen ze bedrijven de das omdoen voordat ze zelfs maar van de grond zijn gekomen.”
Europa heeft, zo betoogt hij, zijn eigen versie nodig van de ondernemerschapsecosystemen die SpaceX en vergelijkbare bedrijven voortbrachten — en dat vereist een mate van regelgevingsflexibiliteit voor vroegfase-ondernemingen die momenteel ontbreekt.
Zie ook
Van bouwrobotis tot humanoids: wat te verwachten van ERF 2026 in Stavanger
